Waarheen met de elektrische fiets: Pedelecs, pedelecbond, pedelechelm
Dirk Ligtermoet -onderzoeker/adviseur verkeersbeleid bij Ligtermoet & Partners - Een vleugje leedvermaak gaf het wel, moet ik bekennen. De Fietsersbond meldde onlangs (2 maart) bang te zijn voor een verhoging van het vermogen van elektrische fietsen, zoals de EU wil. Het voertuig dat dat oplevert, schrijft de bond, “is voor onze wet een snorfiets en rijdt dus op het fietspad. (…) De fietsorganisaties vrezen dat er dan naast de snorscooters nog meer veel te hard rijdende en snel optrekkende voertuigen op het fietspad komen.” De Fietsersbond komt er dus achter dat de elektrische fiets, die ze jarenlang omarmd hebben als een echte fiets en zo ongeveer de fiets van de toekomst, misschien toch meer lijkt op die vermaledijde brommer en snorfiets . In mijn leedvermaak dwarrelden ook associaties rond met een Frankenstein maken en een Trojaans paard binnenhalen, maar dat toont alleen hoe springerig een denkpatroon kan zijn.
Niet alleen de Fietsersbond haalde de e-bike vroegtijdig binnenboord. De hele fietswereld deed het. Van handelaars snapte ik dat. Die zagen dat juist de doelgroep die altijd al de meeste omzet genereerde met dure fietsen, namelijk de 60-plussers, nu nog duurdere e-bikes zouden gaan kopen. Noem het groen en gezond – kassa! Van de fietsbeleid-organisaties snapte ik het niet. Mij leek het gevaar levensgroot dat e-biking op het essentieelste punt een afscheid van het fietsen zou betekenen: spierkracht. Of het nu een sterke of minder sterke motor is, elektrisch of verbrandend – het overeenkomstige van al die vormen van gemotoriseerde tweewielers leek me veel ingrijpender dan de onderscheidingen.
Op mijn lagere school was in de verkeersles een brommer een fiets met hulpmotor, denk ik me te herinneren. Later was die motor nog wel ‘licht’ maar niet meer ‘hulp’. In mijn a-technische dommigheid had ik de indruk dat het elektrische aspect van een e-bike iets met een motortje te maken had. Natuurlijk, alle e-bike liefhebbers en promotors en handelaars verhulden dat door in plaats van ‘motor’ of ‘hulpmotor’ te spreken van ‘trapondersteuning’. Maar zelfs mijn even a-technische tante, 71 maar kranig, snapte nog wel dat die ondersteuning toch ergens vandaan moest komen. Uit een motor; daarom kocht ze er ook één – dat was namelijk precies de bedoeling . De hulp komt niet uit een accu, zoals de eerste zin van een TNO-rapport uit 2008 suggereerde: “Een elektrische fiets is een fiets met trapondersteuning: je moet zelf fietsen, maar wordt daarbij ondersteund door een accu.” Het woord motor leek en lijkt verboden bij E-bike believers.
Het was en is slim, dat woord trapondersteuning. Want het suggereert dat een e-bike past binnen definities die benadrukken dat het bij een fiets om menselijke energie, om spierkracht, om trappen gaat. Dat wordt alleen (‘een beetje’, denk men dan er al snel bij) ondersteund. De overgrote hoofdmoot blijft die spierkracht. Suggereert men.
Het werd allemaal geloofd, zeker 5 jaar lang. Niet door mij. Dat kwam niet door enig technische inzicht, maar door gewoon stevig te fietsen. Ik merkte namelijk iets heel anders op mijn 15 km lange woon-werk ritten door de polder. Met een beetje tegenwind ( ja, beste stedeling, windkracht 5 tegen is al dramatisch zwaar trappen in de polder) haalde diezelfde tante op haar e-bike “met trapondersteuning” mij makkelijk in. Desondanks wist ik zeker dat mijn conditie heel wat beter is dan die van m’n relaxed op haar E-fiets voorbij zoevende tante.
Inmiddels erkent de Fietsersbond het ook: “De ondersteuning van de huidige E-bike is al vergelijkbaar met het vermogen van een amateurwielrenner.” Dat geeft al aan dat dat woord ‘ondersteuning’ bedrieglijk is. Want de connotatie van ‘ondergeschikt aan dat wat ondersteund wordt, namelijk de spierkracht van de fietser’ kan dan toch alleen kloppen als die fietser het vermogen heeft van een profwielrenner.
Ik snapte het niet, maar snapte het tegelijk natuurlijk ook wel. De e-bike is zoveel groener dan snorfiets en auto, zo sympathiek. Zo innovatief ook. En de verwachte toename in gebruik ervan toedelen aan je eigen fietswereld, was erg aantrekkelijk. Wie wil er geen deel van het succes zijn?
Alleen, het was korte termijn denken. Dat zich op iets langere termijn tegen je kan keren. Nu dus misschien. Als je één (elektrische) motorfiets als fiets benoemt, is er altijd weer een andere modelletje dat daar dicht bij in de buurt komt en ook fiets wil heten. Google eens op afbeeldingen van ‘electric bike china’ en huiver: een ontzagwekkende rij van eindeloze variaties op (elektrische) bromfietsen. Soms nog een beetje onze E-bike; vaker een scooter-achtig iets; en nog vaker iets uitzonderlijks.
Terug naar af, zou mijn idee zijn. De fiets is een fiets en al heel ruim 100 jaar door trappende benen voortgedreven. Met een motor erbij is het wat anders. Heel simpel; net voetbal.
Als die motor elektrisch is, is dat maatschappelijk zeer relevant. Misschien verdient dat beleidsmatig echt een onderscheiding: de groep elektrische motor-tweewielers. Ach, noem ze pedelecs: pedal & electric – buiten Nederland vaak gebruikt, soms als koepelbegrip, soms voor een specifieke vorm. Stimuleer het, graag zelfs (voorzover de overheid iets aan kan doen in markt-trends). Maar doe niet of het iets met fietsen te maken heeft. Organiseer de gebruikers in een pedelecbond, ontwikkel beleid in een pedelecberaad en geef de gebruikers een al of niet verplichte pedelechelm. Mooi woord.


