Onzekere toekomst voor de regio: krimp en/of groei?

Congestie op hoofdwegennet bij hoog (blauw) en laag (groen) scenario (bron: PB/TIGIRS XL).

Jarenlang waren het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid gericht op het sturen en geleiden van groei. Bevolking, woningvoorraad, arbeidsplaatsen en afgelegde kilometers namen allemaal steeds maar toe. Die tijd is voorbij. Nederland staat aan de vooravond van andere tijden, aldus het PBL. Sommige delen van het land kunnen vrij zeker zijn van groei, andere delen vrij zeker van krimp. Maar in een groot deel van Nederland is zowel groei als krimp goed mogelijk, afhankelijk van economische en internationale ontwikkelingen.
Dat staat in de Ruimtelijke Verkenning 2011 ‘Nederland in 2040: een land van regio’s‘. In dit rapport stelt het PBL dat de groei van bevolking, mobiliteit en werkgelegenheid na jarenlange groei gaat afvlakken. In toenemende mate ontstaan regio’s waar groei en krimp beiden mogelijk zijn. Dit vraagt om een nieuw – flexibel – beleid.
In regio’s als het Rivierengebied, de Veluwe en delen van het Groene Hart is het bijvoorbeeld onzeker of bevolking, mobiliteit en werkgelegenheid nu juist zullen groeien of krimpen. Stedelijke regio’s als Almere, Groningen, Arnhem/Nijmegen en Utrecht zullen op veel onderwerpen met grote waarschijnlijkheid blijven groeien. Krimp zal vrij zeker optreden in regio’s aan de rand van Nederland, zoals Oost-Groningen en Midden-Limburg.

De mobiliteit – uitgedrukt in het aantal afgelegde personenkilometers – blijft naar alle waarschijnlijkheid in een groot deel van Nederland toenemen, vooral in het eerstkomende decennium. Na 2020 is in een groot deel van Nederland ook stabilisatie of afname van de mobiliteit denkbaar. Hoe groot de toename van de mobiliteit zal zijn verschilt aanzienlijk tussen de twee doorgerekende scenario’s. Het gaat om een hoog en een laag scenario, gebaseerd op respectievelijk het Global Economy (GE) en het Regional Communities (RC) scenario uit de studie Welvaart en Leefomgeving. Deze gaan uit van verschillende ontwikkelingen op diverse terreinen, zoals bevolking, huishoudens en economie, en geven daardoor andere mogelijke toekomsten.

Bij een hoog scenario blijft de congestie toenemen, vooral in de Randstad en rond enkele andere grotere steden, ook wanneer er in de toekomst nog steeds conform het huidige investeringstempo in infrastructuur wordt geïnvesteerd. Bij het lage scenario zal de congestie halveren. De bereikbaarheid, uitgedrukt in het aantal arbeidsplaatsen dat binnen een acceptabele reistijd vanuit huis bereikbaar is, zal op termijn in veel regio’s afnemen of stabiliseren. Bij een laag scenario komt dit door teruglopende werkgelegenheid, bij een hoog scenario door toenemende congestie.

Het tegelijkertijd bestaan van groeiregio’s, krimpregio’s en regio’s waar nog onduidelijk is of er groei of krimp zal optreden, vraagt om verschillende ruimtelijke beleidsstrategieën. Het PBL constateert dat de Ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2011) van het ministerie van Infrastructuur en Milieu deze nieuwe opgave wel erkent, maar dat het beleid nog niet voorziet in een breder palet aan strategieën om daar mee met het naast elkaar voorkomen van krimp, groei en onzekerheid daarover om te gaan. Als er sprake is van groei, betekent nog geen zekerheid over de omvang van die groei. Een dergelijke grote marge vergt daarom bolgens het PBL een flexibele planning, waarbij ruimte wordt gereserveerd en projecten in kleine deelprojecten worden gerealiseerd.

Een beleidsstrategie bij krimp kan bestaan uit drie sporen: regionale afstemming om te voorkomen dat de situatie verergerd wordt door afwenteling van problemen op buurgemeenten; tijdig nadenken over hoe noodzakelijke herstructurering tijdens de transitie te bekostigen; en ruim voor een krimpperiode mogelijk aanbreekt nadenken over de laatste groei-investeringen.

In regio’s waar onzeker is of er groei of krimp zal optreden is nu al een vorm van planning nodig die snel kan reageren op actuele ontwikkelingen. Robuuste investeringen, die in alle scenario’s passen, hebben prioriteit. Andere investeringen moeten voor een zo kort mogelijke toekomst worden vastgelegd en grote projecten moeten gefaseerd worden gepland en uitgevoerd.

De baten van capaciteitsuitbreidingen van het wegennet zijn sterk afhankelijk van de omvang van de mobiliteitsgroei, zo stelt het PBL verder. Omdat de mobiliteitsopgave onzeker is, is het noodzakelijk om na te denken over meer flexibele manieren om de bereikbaarheid te verbeteren. Mogelijkheden hiertoe zijn bijvoorbeeld mobiliteitsgeleiding of een vorm van prijsbeleid.

 

Onderwerpen:

Auteur: Redactie

Reageren op dit artikel is niet mogelijk.

Onzekere toekomst voor de regio: krimp en/of groei? - VerkeersNet

Onzekere toekomst voor de regio: krimp en/of groei?

Congestie op hoofdwegennet bij hoog (blauw) en laag (groen) scenario (bron: PB/TIGIRS XL).

Jarenlang waren het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid gericht op het sturen en geleiden van groei. Bevolking, woningvoorraad, arbeidsplaatsen en afgelegde kilometers namen allemaal steeds maar toe. Die tijd is voorbij. Nederland staat aan de vooravond van andere tijden, aldus het PBL. Sommige delen van het land kunnen vrij zeker zijn van groei, andere delen vrij zeker van krimp. Maar in een groot deel van Nederland is zowel groei als krimp goed mogelijk, afhankelijk van economische en internationale ontwikkelingen.
Dat staat in de Ruimtelijke Verkenning 2011 ‘Nederland in 2040: een land van regio’s‘. In dit rapport stelt het PBL dat de groei van bevolking, mobiliteit en werkgelegenheid na jarenlange groei gaat afvlakken. In toenemende mate ontstaan regio’s waar groei en krimp beiden mogelijk zijn. Dit vraagt om een nieuw – flexibel – beleid.
In regio’s als het Rivierengebied, de Veluwe en delen van het Groene Hart is het bijvoorbeeld onzeker of bevolking, mobiliteit en werkgelegenheid nu juist zullen groeien of krimpen. Stedelijke regio’s als Almere, Groningen, Arnhem/Nijmegen en Utrecht zullen op veel onderwerpen met grote waarschijnlijkheid blijven groeien. Krimp zal vrij zeker optreden in regio’s aan de rand van Nederland, zoals Oost-Groningen en Midden-Limburg.

De mobiliteit – uitgedrukt in het aantal afgelegde personenkilometers – blijft naar alle waarschijnlijkheid in een groot deel van Nederland toenemen, vooral in het eerstkomende decennium. Na 2020 is in een groot deel van Nederland ook stabilisatie of afname van de mobiliteit denkbaar. Hoe groot de toename van de mobiliteit zal zijn verschilt aanzienlijk tussen de twee doorgerekende scenario’s. Het gaat om een hoog en een laag scenario, gebaseerd op respectievelijk het Global Economy (GE) en het Regional Communities (RC) scenario uit de studie Welvaart en Leefomgeving. Deze gaan uit van verschillende ontwikkelingen op diverse terreinen, zoals bevolking, huishoudens en economie, en geven daardoor andere mogelijke toekomsten.

Bij een hoog scenario blijft de congestie toenemen, vooral in de Randstad en rond enkele andere grotere steden, ook wanneer er in de toekomst nog steeds conform het huidige investeringstempo in infrastructuur wordt geïnvesteerd. Bij het lage scenario zal de congestie halveren. De bereikbaarheid, uitgedrukt in het aantal arbeidsplaatsen dat binnen een acceptabele reistijd vanuit huis bereikbaar is, zal op termijn in veel regio’s afnemen of stabiliseren. Bij een laag scenario komt dit door teruglopende werkgelegenheid, bij een hoog scenario door toenemende congestie.

Het tegelijkertijd bestaan van groeiregio’s, krimpregio’s en regio’s waar nog onduidelijk is of er groei of krimp zal optreden, vraagt om verschillende ruimtelijke beleidsstrategieën. Het PBL constateert dat de Ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2011) van het ministerie van Infrastructuur en Milieu deze nieuwe opgave wel erkent, maar dat het beleid nog niet voorziet in een breder palet aan strategieën om daar mee met het naast elkaar voorkomen van krimp, groei en onzekerheid daarover om te gaan. Als er sprake is van groei, betekent nog geen zekerheid over de omvang van die groei. Een dergelijke grote marge vergt daarom bolgens het PBL een flexibele planning, waarbij ruimte wordt gereserveerd en projecten in kleine deelprojecten worden gerealiseerd.

Een beleidsstrategie bij krimp kan bestaan uit drie sporen: regionale afstemming om te voorkomen dat de situatie verergerd wordt door afwenteling van problemen op buurgemeenten; tijdig nadenken over hoe noodzakelijke herstructurering tijdens de transitie te bekostigen; en ruim voor een krimpperiode mogelijk aanbreekt nadenken over de laatste groei-investeringen.

In regio’s waar onzeker is of er groei of krimp zal optreden is nu al een vorm van planning nodig die snel kan reageren op actuele ontwikkelingen. Robuuste investeringen, die in alle scenario’s passen, hebben prioriteit. Andere investeringen moeten voor een zo kort mogelijke toekomst worden vastgelegd en grote projecten moeten gefaseerd worden gepland en uitgevoerd.

De baten van capaciteitsuitbreidingen van het wegennet zijn sterk afhankelijk van de omvang van de mobiliteitsgroei, zo stelt het PBL verder. Omdat de mobiliteitsopgave onzeker is, is het noodzakelijk om na te denken over meer flexibele manieren om de bereikbaarheid te verbeteren. Mogelijkheden hiertoe zijn bijvoorbeeld mobiliteitsgeleiding of een vorm van prijsbeleid.

 

Onderwerpen:

Auteur: Redactie

Reageren op dit artikel is niet mogelijk.