Een Amber-auto in het Paleiskwartier in Den Bosch FOTO Stefan Keerssemeeckers

Vier lessen om living lab-experimenten op te schalen

Living labs en proeftuinen kunnen de experimentfase ontstijgen als de onderzoekers verder kijken dan de techniek. Daarbij moeten ze vanaf het begin al rekening houden met verdienmodellen, met wetten en met de voorkeuren en de belangen van burgers. Bovendien is het goed als de labs verbinding zoeken met andere initiatieven.

Dat stelt het Rathenau Instituut in het onderzoek ‘Voorbij lokaal enthousiasme – Lessen voor de opschaling van living labs’. Het Instituut ondervroeg betrokkenen, bestudeerde de literatuur en keek de kunst van het opschalen af bij succesvolle werkwijzen in landbouw, waterbeheer en ontwikkelingssamenwerking.

Tijdens het onderzoek interviewden de onderzoekers onder andere betrokkenen van bekende Nederlandse living labs zoals The Green Village, de Delfts/Friese proeftuin voor het verduurzamen van stedelijk gebied. Ook spraken ze met mensen van de op gezondheidszorg gerichte innovaties van Medical Delta in Zuid-Holland.

Inbedding

Het Rathenau Instituut destilleerde vier lessen die initiatiefnemers, deelnemers en financiers van living labs en lokale experimenten kunnen gebruiken om verder op te schalen. Dat is relevant voor de mobiliteitswereld, waar veel geëxperimenteerd wordt met nieuwe vervoersmiddelen en systemen die de doorstroming moeten bevorderen.

De eerste les is dat het belangrijk is dat living labs worden gebruikt om te leren over maatschappelijke inbedding en niet alleen over de innovatie zelf. Concreet betekent het dat deelnemers niet alleen moeten focussen op technologische aspecten van een product of dienst, maar vooral ook op de economische, juridische en sociaal-culturele aspecten ervan.

Vervolgtraject

Gebruik living labs om te anticiperen op het vervolgtraject, luidt de tweede les. Zo ontstaat een doorgaand innovatieproces. In de ideale situatie volgt na de experimenteerfase nog een traject waarin de uitkomsten van het living lab verder ontwikkeld worden en waarin de innovatie ingebed moet worden in de maatschappij.

In de praktijk lijkt de aandacht, energie en financiering van betrokkenen vaak vooral gericht op het organiseren en uitvoeren van het experiment, stellen de onderzoekers. Daardoor ontstaat volgens hen het risico dat met het aflopen van een project en de bijbehorende projectfinanciering ook het innovatieproces stokt.

Voortbouwen

Les drie is dat living labs onderdeel moeten worden gemaakt van een groter geheel van onderzoeks- en innovatietrajecten. Dat maakt dat living labs van elkaar kunnen leren, op elkaar kunnen voortbouwen en een gedeelde kennisbasis kunnen leggen en zodoende op grotere schaal effect hebben. Die verbinding leggen is ook voor die eerder genoemde maatschappelijke inbedding belangrijk, stellen de onderzoekers.

De laatste les is om bij living labs intermediaire organisaties te betrekken. Dat zijn organisaties die goed in het leggen van verbindingen tussen partijen, locaties en initiatieven. Zij kunnen met hun specifieke kennis en expertise helpen bij het leren over een innovatie en haar maatschappelijke inbedding. De initiatiefnemers en deelnemers in living labs beschikken volgens het Rathenau Instituut namelijk meestal niet zelf over alle kennis, capaciteiten en hulpmiddelen die hiervoor nodig zijn.

Auteur: Jan Pieter Rottier

Jan Pieter Rottier is binnen ProMedia Group als redacteur en presentator verantwoordelijk voor evenementen, tv-uitzendingen en andere video-content, zoals webinars en online congressen. Daarnaast schrijft hij regelmatig voor de Personenvervoer en Verkeer-vakbladen VerkeersNet, OVPro en TaxiPro.

Reageer ook

Nog maximaal tekens

Log in via een van de volgende social media partners om je reactie achter te laten.