Verkeerseducatie jongeren 10-17 jaar onvoldoende effectief

jongerenHet geven van demonstraties of aanleren van vuistregels in verkeerseducatieprogramma’s is niet voldoende om jonge adolescenten (10-17 jaar) voor te bereiden op complexe en gevaarlijke verkeerssituaties.

Jongeren moeten juist oefenen ín die situaties, om meer ervaring op te doen. Bovendien blijken kortdurende educatieprogramma’s, ongeacht of ze zich richten op het vergroten van inzicht of vergroten van angst, minder effectief dan gedacht. Dat stelt SWOV-onderzoeker Divera Twisk in haar promotieonderzoek.

Kinderen verruilen vanaf hun tiende jaar de relatief veilige achterbank van hun ouders’ auto voor de fiets, en vanaf hun 16e de bromfiets. Van hun totale aantal gemaakte kilometers, leggen 16-jarigen een derde af als fietser. Door deze verschuiving stijgt de verkeersmortaliteit van 10- tot 17-jarigen.

Verkeerseducatie wordt op grote schaal toegepast op scholen, maar ondanks de nieuwe kennis en inzichten die jongeren verwerven, zijn ze onvoldoende in staat dit correct toe te passen en veilige keuzes te maken in complexe verkeerssituaties, zo stelt Twisk in haar proefschrift.

Dat zou komen omdat er nog te weinig bekend is over de verkeersveiligheid van jonge adolescenten.

Twisk onderzocht voor haar proefschrift onder meer hoe veilig jongeren in de leeftijd van 10-13 jaar zich gedragen in de directe omgeving van vrachtwagens, specifiek: houden ze rekening met de dode hoek en worden hun beslissingen veiliger na het volgen van dodehoekprogramma’s? Ze vergeleek een educatieprogramma dat zich richt op het verbeteren van de verkeerscompetenties met een programma met als doel het vergroten van gevaarbewustzijn.

twiskUit de studie bleek dat voorafgaande aan het volgen van een programma, 42% van de jongeren in het basisscenario alle drie dode hoeken correct konden aanwijzen. In de simpele verkeerssituaties maakte 27% van de jongeren een veilige gedragskeuze; in de complexe situaties slechts 5%. Na het volgen van een competentieprogramma konden de jongeren vaker dan daarvoor de dode hoeken aanwijzen, maar hun keuzes in de verkeerssituaties werden niet veiliger.

Het gevaarbewustzijnprogramma leidde in zijn geheel niet tot verbeteringen.

In haar proefschrift bekeek Twisk ook de effecten van vijf ‘kortdurende’ educatieprogramma’s die zich richten op veilig verkeersgedrag in het algemeen.

Ze liet jongeren een vragenlijst invullen waarin ze werden gevraagd óf en hoe vaak ze bepaald risicogedrag vertoonden. Ze vulden de lijst twee keer in: vlak voor het volgen van een programma en een maand na afloop. Een controlegroep deed hetzelfde, maar zonder tussenkomst van een programma.

Drie van de vijf programma’s toonden een licht effect: tussen 3 en 20% van de jongeren (afhankelijk van het programma) verbeterden hun gedrag. Programma’s die zich richten op het vergroten van angst bleken, in overeenstemming met eerder onderzoek, opnieuw niet effectiever dan inzicht vergrotende programma’s: onder beide typen kwamen programma’s voor die geen enkel effect hadden.

Twisk: “Het blijkt keer op keer, zo ook in mijn studie, dat kennis alleen niet werkt. Educatie kan de herkenning van gevaarlijke situaties, zoals dode hoeken, wel verbeteren, maar die verbetering leidt niet automatisch tot veiligere keuzes op straat. Onervarenheid speelt een grote rol. Educatieprogramma’s moeten zich daarom meer richten op oefenen in de praktijk. Daarbij moet niet alleen gekeken worden naar het beperken van ongewenst gedrag (onbedoelde vergissingen of bewuste overtredingen), maar ook naar het vergroten van zelf-beschermend gedrag (bijvoorbeeld oversteken op een plek waar je goed zichtbaar bent voor overig verkeer).”

Onderwerpen:

Auteur: Redactie

Reageren op dit artikel is niet mogelijk.